De deegkop van Komrij

Donderdag 11 December 2003 in categorie Kunst en Cultuur

Volgens mij gaat het niet echt lekker met de Nederlandse poëzie wanneer één persoon een te grote vinger in de pap heeft. Die ene persoon is Gerrit Komrij. Als Dichter des Vaderlands en samensteller van de mega-bloemlezing 'De Nederlandse poëzie van de 19e, 20e en 21e eeuw in 2000 en enige gedichten' doet hij het dichtend deel der natie voor zich beven. Zijn bloemlezing wordt beschouwd als een standaardwerk. Als je dáár in staat ben je een erkend dichter.

“Desnoods maar Katja of Bridget, dan valt er minstens nog wat te kwijlen”

Dit gaat de verkeerde kant op. Ik heb relatief weinig verstand van poëzie, dus als buitenstaander kan ik er een beetje neutraler tegenaan kijken. Eerst maar eens over die Dichter des Vaderlands. Dit (door de NRC verzonnen) fenomeen moeten we weer afschaffen. Bij de geboorte van het prinsesje kwam Komrij op teevee met het gelegenheidsgedicht dat van hem werd verwacht. Zo te horen had hij nog een krakkemikkig sinterklaasrijmpje liggen dat hij voor de gelegenheid had gerecycled. In elk geval was het driewerf he-le-maal niks! Ter ontluisterende illustratie de laatste strofe:

Zorg dat het kind een leven krijgt dat echt is,
Gun het een stem, een hart, een eigen pad -
En schop de monarchie onder haar gat.

Hoog tijd dus om Komrij zelf eens met een flinke trap onder zijn brede klotsende hol de laan uit te sturen als Dichter des Vaderlands. Dit is toch te gênant voor woorden? Bovendien is zijn vadsig uiterlijk nou ook niet direct van dat je zegt: “Ha, Komrij op teevee!” Als we nou echt niemand anders hebben dan deze ijdeltuitige sombermans met zijn uitgelopen deegkop, doe dan desnoods maar Katja of Bridget, dan valt er minstens nog wat te kwijlen. En wie weet rolt er dan nog betere poëzie uit ook.

Gerrit Komrij kwam voor de tweede keer in het nieuws deze week via Quirien van Haelen. Het had Keizer Komrij namelijk behaagd deze jonge poetry-slammer op te nemen in zijn bloemlezing. Zijne Vadsigheid had in een zeldzaam frivole bui waarschijnlijk gedacht: “Kom Komrij, doe eens wild en modern.” Toegegeven, ter promotie van de nieuwste uitgave van zijn Bloemlezing was het een meesterzet. Voor de poëzie zelf was het natuurlijk een afgang, want Quiriens rijmelarij is weliswaar iets beter verzorgd dan die van Komrij zelf, maar voor de rest is het allemaal veredelde rap & crap.

Tot slot heb ik mij nog even afgevraagd hoe zo'n man als Komrij, in een ver verleden toch zelf een berucht en vilein criticaster, het kan schoppen tot degene die blijkbaar als enige de Michelin-sterren van het vaderlandse dichtwezen mag uitdelen. Het antwoord is vermoedelijk simpel: er is verder kennelijk nog geen enkele idioot geweest die de tijd en de zin had om vier eeuwen Nederlandse poëzie door te spitten en te bloemlezen. Het is even afzien, maar dan bèn je ook iemand!

En lekker in het Portugese zonnetje, wie doet je wat?

Links:
De gelegenheidsgedichten van Komrij in zijn hoedanigheid van DDV.
Grote Gerrit, aanval op Komrij door Arnold Jansen op de Haar.